ListEnBedrog.nl

loquendi libertatem custodiamus

Klachten?
Start
Contact
Dossier Pieter Knabben
Oplichtertje
Actueel
Dossier BRTS
Zwartboek BRTS/BOS
Dossier PBO BRTS
BRTS in de pers
X-files
Bezwaarschrift BOS
Besluit CvdM
Dossier TV-Gazet
TV-Gazet in de pers
De affaire Mi Amigo
SOS Magdalena
Reacties
Open & Eerlijk
Links
Colofon

Bezwaarschrift BOS

Commissariaat voor de Media
Hoge Naarderweg 78
1217 AH Hilversum

BEZWAARSCHRIFT

Betreft: Vergunning publieke lokale omroep gemeente Breda

Uw kenmerk: ZKZ-003056-za

Ons kenmerk: bos-bezw-0423

Breda 10 juli 2004

Geachte,

Bij deze tekent de Bredase Omroep Stichting (hierna: BOS) bezwaar aan tegen het besluit van het Commissariaat voor de Media (hierna: CvdM) d.d. 1 juni 2004 om de vergunning voor publieke lokale omroep in de gemeente Breda (hierna: de gemeente) met terugwerkende kracht per 21 april 2003 te verlenen aan de Bredase Radio en Televisie Stichting (hierna: BRTS) en haar aanvraag af te wijzen.

Argumentatie CvdM m.b.t. afwijzing aanvraag BOS en toekenning aanvraag BRTS

  1. Het advies van de gemeente is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen

  2. De gemeente heeft bepaald dat het programmabeleidbepalend orgaan (hierna: PBO) van de BRTS representatiever is dan dat van de BOS

  3. De BRTS heeft voldoende medewerking verleend aan het toezicht van het CvdM en valt meer in positieve dan in negatieve zin op

De gronden van het bezwaar

  • In de procedure die leidde tot toewijzing van zendtijd zijn de betrokken bestuursorganen uiterst onzorgvuldig omgesprongen met de belangen van de BOS en zijn de belangen van de BOS ondergeschikt gemaakt aan die van de BRTS, waardoor de BOS onrechtmatig benadeeld is

  • De argumentatie in het besluit van het CvdM is niet steekhoudend

Toelichting op de gronden

De BOS merkt op dat:

  1. Het CvdM per brief van 18 februari 2003 de gemeente ten onrechte heeft meegedeeld dat de BRTS aan de Mediawet voldeed en dat zij dat had gecontroleerd

  2. Het CvdM ongefundeerde kritiek leverde op de BOS-statuten en dit in afschrift naar de gemeente stuurde (maart 2003)

  3. Het CvdM en de gemeente nadat de BOS aangifte bij de politie deed tegen de BRTS vanwege malversaties met het BRTS-PBO nalieten zelf een onderzoek in te stellen dan wel eveneens aangifte te doen (april 2003)

  4. Het CvdM en de gemeente niet signaleerden dat de benoeming van het BRTS-PBO was verlopen (vanaf augustus 2001)

  5. Het CvdM de uitzendingen van de BRTS gedoogde zonder een voor bezwaar vatbaar gedoogbesluit te nemen (vanaf 21 april 2003)

  6. Het CvdM het Agentschap Telecom (hierna: AT) en Casema aanspoorde respectievelijk de Telecommunicatiewet en de Mediawet te overtreden, door de BRTS te laten uitzenden cq door te geven zonder dat daar een geformaliseerd gedoogbesluit aan ten grondslag lag (vanaf 21 april 2003)

  7. Het CvdM de gemeente op 1 mei 2003 heeft meegedeeld dat het naleven van de termijnen die in de Mediawet zijn vastgelegd niet zo belangrijk is

  8. Het CvdM actie achterwege liet, toen duidelijk werd dat de gemeente de procedure traineerde, louter om de BRTS orde op zaken te laten stellen (vanaf september 2003)

  9. De gemeente op 5 november 2003 een brief naar het AT stuurde waarin zij stelde de procedure te vertragen om de BRTS orde op zaken te laten stellen

  10. Het CvdM actie achterwege liet toen de gemeente op het allerlaatste moment een tot mislukken gedoemde fusiepoging deed (november 2003)

  11. De gemeente op 10 december, ruim vier maanden nadat zij een adviesbesluit had moeten nemen, die beslissing nog eens ruim drie maanden uitstelde, toen bleek dat het BRTS-PBO niet voldeed, met het argument dat er nog een fusiepoging ondernomen moest worden. Dit terwijl de BRTS per brief d.d. 24 november 2003 een fusie resoluut had afgewezen en er volgens de Mediawet slechts sprake kan zijn van een fusie indien beide partijen aan die wet voldoen

  12. Het CvdM actie achterwege liet, toen de gemeente zich tijdens de tweede fusiepoging bijzonder passief opstelde (december 2003/januari 2004)

  13. Het CvdM niet kritisch stond t.o.v. brieven en andere documenten van de gemeente waarin feiten werden gemaskeerd dan wel verdraaid (sinds januari 1998)

  14. Het CvdM de wijze waarop de BRTS haar PBO wijzigde niet aan een onderzoek heeft onderworpen, teneinde vast te stellen of dit rechtmatig gebeurde

  15. De gemeente op 25 maart 2004 zowel het verkeerde PBO van de BRTS als van de BOS heeft beoordeeld

De BOS is van mening dat het CvdM en de gemeente uiterst onzorgvuldig en vooringenomen hebben gehandeld.

In de bijlage wordt het merendeel van de bovengenoemde punten, voor zover deze niet duidelijk zijn, nader toegelicht.

Visie BOS op argumentatie CvdM

  1. Gezien de bovengenoemde punten A t/m O kan het CvdM onmogelijk gestand houden dat haar argumentatie onder i. en ii. terecht is

  2. Gezien het feit dat het CvdM niet of nauwelijks toezicht heeft gehouden op de BRTS en in zoverre dit wel heeft plaatsgevonden het alleen het in ontvangst nemen van documenten betrof  waarvan de inhoud niet op juistheid gecontroleerd werd, is het argument onder iii. niet relevant. Het is voor het CvdM immers praktisch onmogelijk een gefundeerd oordeel uit te spreken over het functioneren van BRTS

  3. Het naar oordeel van het CvdM al dan niet functioneren van de BRTS mag in geen geval ten nadele van de BOS worden gebruikt, zoals hier gebeurt

Verzoek

De BOS verzoekt het CvdM, rekening houdend met het hierboven vermelde, haar besluit de aanvraag van de BRTS te honoreren en die van de BOS af te wijzen te herzien.

Nota bene

Voorts verzoekt de BOS het CvdM haar de volledige correspondentie te doen toekomen inzake publieke omroep in Breda in de periode 1 januari 1998 tot heden tussen het CvdM en de BRTS, de gemeente, het AT, Casema alsmede alle andere stukken in het dossier. Voor zover noodzakelijk beroept de BOS zich hierbij op de Wet Openbaarheid van Bestuur. In het geval bepaalde documenten niet worden geopenbaard, verzoekt de BOS het CvdM haar kenbaar te maken welke documenten het betreft en waarom die niet worden geopenbaard.

Bovenstaande bezwaren zijn gemaakt onder het voorbehoud van nadere invulling en toelichting in de verdere procedure.

Tenslotte verzoekt de BOS zich beroepend op de Algemene Wet Bestuursrecht het CvdM haar per ommegaande een ontvangstbevestiging van dit bezwaarschrift te sturen.

Hartelijke groet,
Namens het bestuur de BOS,

Chretien Wetemans,
voorzitter

Bijlage: Samenvatting procedure, welke geacht wordt een geheel te vormen met dit bezwaarschrift
cc. diversen w.o. pers


Samenvatting procedure en conclusies BOS

Voorgeschiedenis

Op 21 april 1998 verleende het CvdM een vergunning met een looptijd van vijf jaren aan de BRTS, nadat deze vergunning was aangevraagd door zowel die stichting als de BOS. Dit terwijl de statuten van de BRTS d.d. 24 augustus 1992 niet aan de op 24 april 1996 gewijzigde Mediawet voldeden. Geheel ten onrechte deelde het CvdM de gemeente mee dat de BRTS aan de Mediawet voldeed en dat zij dat had gecontroleerd. De gemeente verzuimde vervolgens -door het CvdM op het verkeerde been gezet- zelf controle toe te passen. Eén en ander kwam pas begin vorig jaar aan het licht, ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn.

De BOS is van mening dat het CvdM in 1998 de vergunning aan haar had moeten verlenen, daar haar statuten wel aan de Mediawet voldeden en de gemeenteraad zowel het PBO van de BRTS als van de BOS representatief had verklaard, met de kanttekening dat het BRTS-PBO volgens de gemeente een betere afspiegeling was van de lokale bevolking.

Dit laatste betwist de BOS overigens. De BOS heeft aanwijzingen dat de BRTS in 1998 -net als in de huidige procedure- onjuiste gegevens heeft verstrekt omtrent de samenstelling van haar PBO. Eén en ander blijkt uit de verklaring die een getuige in mei 2002 heeft afgelegd tegenover BOS-bestuurslid Martin van Kampen. Volgens deze getuige heeft de BRTS vanaf 1998 het CvdM stelselmatig verkeerd ingelicht over het functioneren van haar PBO. De BOS verzoekt het CvdM deze getuige te horen tijdens de hoorzitting die zij naar aanleiding van haar bezwaarschrift zal organiseren.

De huidige procedure

Daar de vergunning van de BRTS op 21 april 2003 verliep diende zij op grond van de Mediawet binnen zes maanden voor afloop -dus voor 21 oktober 2002- een nieuwe aanvraag te doen, wilde zij in aanmerking komen voor verlenging. Het CvdM wees de BRTS hier meerdere malen op. Op 15 november 2002, derhalve bijna vier weken te laat, vroeg de BRTS de vergunning aan.

Bij de aanvraag voegde de BRTS niet zoals vereist de notarieel vastgelegde statuten (uit 1992), maar door haar penningmeester Koos Janssen in 1997 eigenhandig gewijzigde statuten. Het CvdM was nog altijd niet in het bezit van de officiële BRTS-statuten, toen zij de aanvraag op 18 februari 2003 ter advisering naar de gemeente stuurde. Bovendien voegde het CvdM de brochure ‘Toelichting etc.’ bij, waarin met zoveel woorden werd gesteld dat de BRTS aan de Mediawet voldeed en dat het CvdM dat had gecontroleerd.

In de brief d.d. 18 februari 2003 meldde het CvdM de gemeente eveneens ten onrechte dat de BRTS op 20 januari 2003 een zendtijdaanvraag had gedaan. Het komt de BOS voor dat het CvdM dit deed om de schijn te wekken dat zij de aanvraag, zoals in de Mediawet is bepaald, binnen vier weken ter advisering aanbood. Dit terwijl er ruim drie maanden over en weer tussen het CvdM en de BRTS werd gecorrespondeerd over aanvullingen van de aanvraag, o.m. m.b.t. het PBO. Hierover repte het CvdM met geen woord tegen de gemeente. De brief d.d. 18 februari 2003 en de bijgevoegde brief aan het BRTS-bestuur (zelfde datum) betroffen standaardbrieven.

De BOS is van mening dat het CvdM de behandeling van de BRTS-aanvraag had moeten opschorten tot zij was voorzien van notarieel vastgelegde statuten die aan de Mediawet voldeden en de aanvraag ten onrechte in dit stadium ter advisering aanbood aan de gemeente.

Op 20 februari 2003 deed ook de BOS een zendtijdaanvraag bij het CvdM. Deze werd op 28 maart 2003 door het CvdM ter advisering aangeboden aan de gemeente. Anders dan bij de BRTS werd in de bijgevoegde brief aan het bestuur door het CvdM kritiek geuit op de BOS. Zo zouden de statuten op punten gewijzigd moeten worden. Dit terwijl deze statuten, d.d. 11 augustus 1997 (van na de wijziging van de Mediawet d.d. 24 april 1996), in 1998 door het CvdM waren goedgekeurd.

Anders dan bij de BRTS was in de vigerende BOS-statuten wel opgenomen dat het PBO door B&W moet worden benoemd (wetswijziging 24 april 1996). Het CvdM viel over het feit dat in de BOS-statuten niet is opgenomen dat het PBO tenminste 4x per jaar moet vergaderen. Navraag bij de Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (hierna: Olon) leerde de BOS dat hiertoe geen wettelijke verplichting bestaat. De Olon adviseert haar leden dan ook -vanwege de kosten- statuten niet slechts op dit punt notarieel te wijzigen, louter om het CvdM gunstig te stemmen.

De BOS heeft bovenstaande meegedeeld aan het CvdM en daarna nimmer meer een verzoek ontvangen tot wijziging van haar statuten.

De BOS is van mening dat het CvdM zich had moeten onthouden van ongefundeerd commentaar op haar statuten. Geheel ten onrechte werd door het CvdM bij de gemeente de indruk gewekt dat de BRTS haar zaakjes beter voor elkaar had dan de BOS.

Nadat hierom al enkele keren mondeling was verzocht vroeg de BOS het CvdM op 31 maart 2003 voor de eerste keer schriftelijk om de uitzendingen van de BRTS te doen staken wanneer haar vergunning was verlopen. Meerdere verzoeken volgden, maar het CvdM besloot de uitzendingen stiekem te gedogen. Stiekem, omdat er geen voor bezwaar vatbaar gedoogbesluit werd genomen. Overigens heeft het CvdM tegenover de BOS lange tijd volgehouden niet te gedogen.

De BOS is van mening dat het CvdM een voor bezwaar vatbaar gedoogbesluit had moeten nemen.

Op 9 april 2003 deed BOS-bestuurslid Martin van Kampen bij de politie Breda Zuid-Oost aangifte tegen de BRTS en haar voorzitter Hans Veelenturf wegens valsheid in geschrifte en (poging tot) oplichting. Aanleiding waren malversaties met het BRTS-PBO. Het CvdM werd hiervan op de hoogte gesteld, maar ondernam geen actie.

De BOS is van mening dat het CvdM in actie had moeten komen. Zij was immers op de hoogte van (vermeende) strafbare feiten. Ook waar de wet haar dat niet verplicht had het CvdM zelf eveneens aangifte kunnen doen. De BRTS probeerde immers middels vervalste gegevens een vergunning te bemachtigen.

Op 16 april 2003 deed de BOS per brief haar beklag bij het CvdM en de gemeente dat het BRTS-PBO sinds 4 augustus 2001 niet langer was benoemd en dat zowel het CvdM als de gemeente dit hadden gesignaleerd noch maatregelen hadden genomen.

De BOS is van mening dat het CvdM dan wel de gemeente dit had moeten signaleren, in een eerder stadium.

Op 1 mei 2003 vond in het Stadskantoor van Breda overleg plaats tussen de gemeente en het CvdM. Onderwerp van gesprek waren de zendtijdaanvragen van de BRTS en BOS.

Voor hier wordt ingegaan op hetgeen tijdens deze samenkomst werd besproken, dient te worden vermeld dat de BRTS op dat moment in een diepe crisis terecht was gekomen. Haar penningmeester Koos Janssen had een bedrag van 22.153,75 euro van de stichting verduisterd en bij de BRTS moest orde op zaken worden gesteld. De gemeente bewoog, blijkens een groot aantal documenten, hemel en aarde om de stichting er bovenop te helpen. Dit onder regie van Cultuurwethouder André Adank. Deze CDA-bewindsman leek er alles aan gelegen om de BRTS, bestuurd door o.a. de oud-CDA-gemeenteraadsleden Hans Veelenturf (voorzitter) en Geert Gielen (bestuurslid vanuit functie voorzitter PBO), in rustiger vaarwater te brengen en aan een nieuwe vergunning te helpen. Adank volgde in 2000 Joost Gielen, een neef van Geert Gielen, op als wethouder.

Op 8 mei 2003 stuurde de gemeente hoofd Zendtijd- en Kabelzaken van het CvdM mr. Dirk Oudenaarden een verslag van het gesprek dat hij een week eerder voerde met o.a. Cultuurdirecteur drs. Lia Voermans van de gemeente.

Vermeld werd dat het toezicht op het functioneren van de BRTS een taak van het CvdM is en dat de gemeente daar in principe geen rol in speelt. Hiermee probeerde de gemeente de kritiek van de BOS weg te wuiven dat zij het BRTS-PBO nimmer had gecontroleerd. Bij raadsbesluit van 29 januari 1998 werd immers bepaald dat de gemeente jaarlijks controleert of het BRTS-PBO nog wel representatief is. Dit werd nooit in de praktijk gebracht.

Blijkens het document heeft Oudenaarden toegezegd dat het CvdM de uitzendingen van de BRTS hangende de procedure zou gedogen. Bij herhaling stelt de BOS dat er in dat geval een voor bezwaar vatbaar gedoogbesluit had moeten worden genomen.

In de brief had de gemeente het over het bij gelegenheid door CvdM-medewerkers gebezigde begrip “termijn van orde”. Op dat moment (1 mei 2003) diende de gemeente conform de Mediawet uiterlijk 1 augustus 2003 een besluit te nemen over de advisering van het CvdM over beide aanvragen. Kennelijk heeft Oudenaarden gezegd dat het wel wat later mocht, al dan niet ingegeven door de inspanningen van de gemeente om de BRTS uit het dal te trekken. Hoewel er op dat moment nog twee maanden de tijd waren om een besluit te nemen, stelde de gemeente dit uit tot de raadsvergadering van 25 september 2003.

De BOS is van mening dat het CvdM de gemeente heeft aangemoedigd de termijn van achttien weken waarbinnen volgens de Mediawet een advies moet worden uitgebracht aan haar laars te lappen. Omdat het ‘orde op zaken stellen’ bij de BRTS meer tijd vergde dan in mei voorzien, werd het raadsbesluit vervolgens uitgesteld tot oktober, november en ‘uiteindelijk’ 18 december 2003. Het CvdM had de gemeente juist moeten aanmoedigen de termijn niet te overschrijden, te meer omdat de enige reden voor de stelselmatige termijnoverschrijding de problemen waren die de BRTS over zich had afgeroepen. Nimmer heeft de BOS een signaal ontvangen dat het uitstel haar aan te rekenen zou zijn. Er werd derhalve louter in het belang van de BRTS gehandeld. Het CvdM had daartegen actie moeten ondernemen. Overigens werd de BOS nimmer actief ingelicht over enig uitstel, door de gemeente noch het CvdM.

Op 4 november 2003 werd het BRTS-PBO, twee jaar en drie maanden te laat en ruim een half jaar na het verlopen van haar vergunning, alsnog benoemd door B&W. “Enigszins verlaat”, schreef de gemeente in het bestuursvoorstel. Dit laatste is slechts één van de vele voorbeelden van gevallen waarin de gemeente het in de onderhavige procedure niet zo nauw nam met de waarheid.

Op 30 oktober 2003, drie maanden na het verstrijken van de termijn van achttien weken waarbinnen zij conform de Mediawet advies had moeten uitbrengen aan het CvdM, stuurde de gemeente de BRTS en BOS een brief met de vraag of zij in principe bereid waren samen te gaan. Beide stichtingen reageerden positief en werden vervolgens op 14 november 2003 telefonisch uitgenodigd voor een gesprek o.l.v. twee ambtenaren, op 21 november. Op 19 november ontving de BOS de uitnodiging per e-mail en op de dag van het overleg per reguliere post.

Tijdens het gesprek, op die vrijdag 21 november, gaf de gemeente de BRTS en BOS te verstaan dat ze er op maandag 24 november uit moesten zijn. ‘Onmogelijk’, oordeelden beide besturen en besloten afzonderlijk de procedure in te gaan. Op 24 november 2003 maakte de BOS bij de gemeente en het CvdM bezwaar tegen de gang van zaken, maar hield nadrukkelijk de mogelijkheid van een fusie open. De BRTS deelde de gemeente per brief van 24 november 2003 mee niet meer met de BOS in overleg te willen treden over een fusie.

De BOS is van mening dat de gemeente bewust heeft aangestuurd op het mislukken van een fusie tussen haar en de BRTS.

Op 5 december 2003 stelde de BOS de gemeente (raad en college) per e-mail op de hoogte van haar bevindingen m.b.t. het BRTS-PBO. De betreffende informatie werd gelijktijdig ter hand gesteld van het CvdM en de pers en gepubliceerd op de website www.listenbedrog.nl.

Op 10 december 2003 vergaderde de raadscommissie Cultuur van de gemeente over de advisering van het CvdM. Voorafgaand uitte BOS-bestuurslid Martin van Kampen als inspreker kritiek op de samenstelling van het BRTS-PBO, daarbij verwijzend naar de vijf dagen eerder aan de commissieleden beschikbaar gestelde informatie en de ‘fusiepoging’ van de gemeente. Zoals te doen gebruikelijk kregen vervolgens eerst de coalitiepartijen en daarna de oppositie het woord.

Nadat de coalitie wat kanttekeningen had geplaatst bij de ‘fusiepoging’ maar deze niet resoluut afwees en er bovendien geen blijk van gaf het BRTS-PBO onder de loep te hebben genomen, kreeg GroenLinks-raadslid Selcuk Akinci het woord. Akinci veegde vervolgens de vloer aan met de door de BRTS verstrekte gegevens, waarna Leefbaar Breda-raadslid Boy Boer er nog een schepje bovenop deed. Akinci en Boer kenschetsten het BRTS-PBO als één grote farce. Hetzelfde PBO dat op 4 november 2003 door B&W was benoemd.

De coalitie, die alle door de BOS afgegeven signalen over het disfunctioneren van de BRTS in de maanden daarvoor zorgvuldig had genegeerd, zag geen andere uitweg dan het voorstel van B&W om het CvdM te adviseren de vergunning aan de BRTS te verlenen terug te geven aan wethouder Adank, met de boodschap een nieuwe fusiepoging te wagen.

De BOS is van mening dat wanneer de Mediawet zou zijn gevolgd de gemeenteraad, zoals aanvankelijk na ‘enig uitstel’ gepland, op 18 december 2003 haar PBO goed- en het BRTS-PBO af had moeten keuren. Dientengevolge had de gemeenteraad het CvdM moeten adviseren de vergunning te verlenen aan de BOS. Dat dit niet is gebeurd is te wijten aan onwil en onkunde van de zijde van de gemeenteraad. Slechts de oppositie voerde op aangeven van de BOS onderzoek uit naar de samenstelling van het BRTS-PBO. Dit terwijl dat een wettelijke taak is van alle raadsleden. Voorts sneed de door de coalitie geopperde ‘oplossing’ van nieuw fusieoverleg geen hout. Hadden de raadsleden kennis genomen van de stukken, dan hadden zij daarbij de brief van de BRTS d.d. 24 november 2003 aangetroffen, waarin die stichting verder overleg afwijst. Bovendien vraagt de Mediawet pas een bemiddelingspoging van de gemeente aangaande een fusie, “indien beide omroepen aan de wet voldoen” (artikel 42 lid 2).

Op 14 december 2003 laakte de BOS in een brief aan het CvdM de handelswijze van de gemeente(raad) en drong aan op maatregelen, waarna het CvdM de gemeente per brief van 23 december 2003 om opheldering vroeg.

In december 2003 en januari 2004 deed de BOS enkele vruchteloze pogingen om met de BRTS in overleg te treden over een fusie, zoals gewenst door de politiek. De BRTS wees iedere vorm van samenwerking resoluut af. Een gesprek was zelfs te veel gevraagd. De gemeente hield zich afzijdig. Van actieve bemiddeling was geen sprake.

Op 1 februari 2004 stuurde de BRTS de BOS een brief waarin zij een fusie resoluut van de hand wees. Op 4 februari 2004 kwamen de BRTS en BOS op initiatief van de gemeente in het Stadskantoor van Breda bijeen voor een ‘voortgangsgesprek’ over de fusie. Gespreksleider Lia Voermans (directeur Cultuur) opende de vergadering met de woorden “Het voorstel van het college om de zendtijd te verlenen aan de BRTS is door de commissie teruggegeven aan de wethouder om de PBO’s in orde te maken.” Daarna stelde zij de vraag waarop zij het antwoord al wist: “De enige vraag is; wenst u tot fusie over te gaan?”

Dezelfde dag, 4 februari 2004, stuurde Voermans een brief naar het CvdM waarin ze de afwijzing van een fusie door de BRTS maskeerde:

“De BRTS heeft in het eerste gesprek (op 21-11-2003) beloofd het gesprek met de BOS te hervatten nadat de procedure rondom de vergunning zou zijn afgerond.”

De BOS is van mening dat Voermans het CvdM onomwonden had moeten meedelen dat de BRTS per brieven van 24 november 2003 en 1 februari 2004 een fusie met de BOS afwees.

De brief van Voermans d.d. 4 februari 2004 is door het CvdM opgenomen in haar besluit. Voermans schreef over de malversaties met het BRTS-PBO:

“De vraagtekens die gezet werden bij de juistheid van de aangeleverde gegevens van de BRTS zijn daarnaast een reden voor het uitstel van het besluit. De commissie stelde niet zozeer vragen bij de in het PBO vermelde stromingen. Er waren twijfels of de vermelde personen wel afgevaardigd waren door de organisaties.”

De BOS is van mening dat Voermans hier de door de BOS en raadsleden aangetoonde malversaties met het BRTS-PBO wel erg doorzichtig probeerde te maskeren.

Had het hier b.v. twee offertes van koeriersbedrijven betroffen, waaruit de gemeente in het kader van een Europese aanbesteding een keuze had moeten maken, dan had de gemeente ongetwijfeld gekozen voor het bedrijf waarbij geen vraagtekens werden geplaatst. Voermans meldde in feite dat de automerken die de ene kandidaat had opgegeven weliswaar bestaan, maar dat de gegadigde niet over de auto’s bleek te beschikken.

Een koeriersbedrijf zonder auto’s is als een PBO zonder leden: helemaal niks. Sterker nog: het bedrijf dat haar zaakjes wel op orde had, zou het nooit hebben geaccepteerd indien de gemeente het gunnen van de order had uitgesteld, totdat de kandidaat die tot haar vriendenkring behoort orde op zaken had gesteld. Een rechtszaak zou door de benadeelde met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn gewonnen.

Toch schrijft het CvdM in haar besluit dat de gemeente “op goede gronden gemeend heeft het adviesvoorstel terug te moeten trekken teneinde een tweede fusiepoging te kunnen wagen.”

De BOS is van mening dat hiermee het bewijs is geleverd dat we niet alleen zijn in het heelal. Een bestuursorgaan dat met droge ogen een dergelijke uitlating doet komt beslist van een andere planeet.

Voorts schrijft het CvdM in haar besluit dat uit de besluitenlijst van de commissie Cultuur naar voren komt dat niet in de eerste plaats de gebreken aan de samenstelling van het BRTS-PBO, maar het aandringen van raadsleden op een tweede fusiepoging aanleiding vormden om het adviesvoorstel terug te trekken.

De BOS is van mening dat pas nadat onomstotelijk vaststond dat het BRTS-PBO niet deugde en onmogelijk kon worden goedgekeurd boven het BOS-PBO een politieke meerderheid voelde voor een nieuwe fusiepoging en abstraheert dat ook uit de stukken. De politiek kon niet anders, omdat de meerderheid struisvogelpolitiek had bedreven door de voor de commissievergadering door de BOS aangedragen misstanden in het BRTS-PBO te negeren en haar plicht had verzaakt om zelf onderzoek in te stellen. Verwijzend naar het hierboven gegeven voorbeeld van de twee koeriersbedrijven heeft de meerderheid van de politiek haar plicht ernstig verzaakt, te meer omdat ieder raadslid bij wet zijn eigen verantwoordelijkheid heeft. Het CvdM had dan ook moeten ingrijpen en op basis van de op dat moment beschikbare informatie een besluit moeten nemen, zoals door de BOS bij brief van 14 december 2003 werd geopperd.

Dan de beoordeling van de beide PBO’s door de gemeenteraad, op 25 maart 2004.

Op 30 januari 2004 droeg het BRTS-bestuur een nieuw PBO ter benoeming voor aan B&W.

De BOS is van mening dat dit te kort door de bocht is. Volgens de op dat moment geldende statuten van de BRTS (d.d. 24 augustus 1992) werden de leden van het PBO conform artikel 10 lid 6 benoemd door het PBO. Volgens datzelfde artikellid mochten voordrachten worden gedaan door zowel het PBO als het bestuur, daarbij artikel 10, leden 7, 8, 9 en 10 in acht nemend.

Bij wijziging van de Mediawet d.d. 24 april 1996 werd bepaald dat de benoeming van het PBO dient te geschieden door B&W. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat B&W hiermee invloed krijgen op de samenstelling van het PBO. De benoeming door B&W is een louter technische zaak, bedoeld om te voorkomen dat een stichting vennootschapsbelastingplichtig wordt.

Uit de brief d.d. 30 januari 2004 gericht aan B&W abstraheert de BOS dat het BRTS-bestuur wijzigingen in het PBO heeft aangebracht terwijl zij slechts bevoegd was tot het doen van voordrachten bij het PBO. “Zij (het bestuur, red.) heeft de verscheidene sectoren zonodig aangevuld”, schreef het BRTS-bestuur, waarna zij B&W vroeg de PBO-leden te benoemen.

Hiermee eigende het BRTS-bestuur zich de taak toe van het PBO, dat conform de vigerende statuten een autonoom orgaan was.

De BOS is van mening dat het BRTS-PBO eerst zelf op grond van artikel 10, leden 6 t/m 10 wijzigingen had moeten doorvoeren en over had moeten gaan tot benoeming, alvorens B&W werden gevraagd het aldus ontstane PBO te formaliseren. Derhalve zijn de wijzigingen in het BRTS-PBO niet conform haar statuten uitgevoerd en was op 25 maart 2004, toen de gemeenteraad haar advies aan het CvdM uitbracht, formeel nog altijd het op 4 november 2003 door B&W benoemde BRTS-PBO in functie. Dientengevolge heeft de gemeenteraad op 25 maart 2004 de verkeerde lijst beoordeeld.

Tijdens de raadsvergadering van 25 maart 2004 werd eveneens het verkeerde PBO van de BOS beoordeeld. De BOS had voorafgaand aan de vergadering een aangevulde PBO-lijst ter beschikking gesteld van alle betrokkenen, maar die werd slechts door de oppositie beoordeeld. De coalitiepartijen plus Lijst Joosse, maar minus drie van de zes PvdA-raadsleden, beoordeelden het verouderde BOS-PBO. Er werd zodoende door hen een raadsvoorstel aangenomen, dat geen correcte weergave bevatte van het BOS-PBO.

De BOS is van mening dat het beoordelen van haar verouderde PBO een onrechtmatige daad was, daar het CvdM steeds heeft volgehouden dat het PBO tot op het laatste moment kon worden gewijzigd, van welke mogelijkheid de BOS gebruikmaakte.

Conclusie

Resumerend is de BOS van mening dat het CvdM niet gestand kan houden dat de gemeente zorgvuldig heeft gehandeld. Dat blijkt onder meer uit de bovengenoemde feiten, maar ook uit het gegeven dat de raadsvoorstellen voor de vergaderingen van 18 december 2003 en 25 maart 2004 erg van elkaar afwijken.

Hanteerde de gemeente in december nauwelijks of niet ter zake doende criteria; in maart werd er een heus puntensysteem toegepast, op grond waarvan het verouderde BOS-PBO overigens beter scoorde dan de BRTS. Het komt de BOS voor dat de gemeente de te hanteren criteria heeft vastgesteld nadat de BRTS haar PBO had opgelapt. Opvallend is dat de BRTS er na het debacle van 10 december 2003 in luttele weken in slaagde een PBO uit de grond te stampen dat de vier (!) verschillende PBO-lijsten die zij in 2003 produceerde moest doen verbleken. De BOS kan slechts vermoeden dat de BRTS hierbij door de gemeente is geholpen. Het feit dat een onderwijsbureau dat in Breda nauwelijks een maatschappelijke functie vervult, maar wel gelieerd is aan de gemeente op de lijst prijkt, is hier een aanwijzing voor.

Ook de toevoeging van de Brabants Zeeuwse Werkgeversvereniging (hierna: BZW) lijkt op tussenkomst van de gemeente te duiden, omdat de Bredase oud-wethouder Nico van Os daar een bestuursfunctie bekleedt. Maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat oud-BRTS-penningmeester Koos Janssen een handje heeft toegestoken; zijn broer Joop (oud-topman van het bouwconcern Heijmans) is immers voorzitter van de BZW. En zou het toeval zijn dat afgevaardigde namens de BZW in het BRTS-PBO C. van Fessem een broer is van de Bredase oud-wethouder Wim van Fessem (huidig CDA-Tweede Kamerlid)?

En dan nog dit. In haar besluit vermeldt het CvdM dat de BRTS in de jaren 1999 t/m 2002 voldoende heeft meegewerkt aan het jaarlijkse toezicht dat zij uitvoert. “Uit de beoordeling over het functioneren blijkt dat de BRTS meer in positieve dan in negatieve zin opvalt,” schreef het CvdM bij herhaling.

De BOS is van mening dat het CvdM zich had moeten onthouden van dergelijk commentaar omdat het onderzoek dat zij uitvoert een papieren controle betreft. Het CvdM heeft geen enkel inzicht in de juistheid van de door de BRTS verstrekte informatie. Zij zou juist vraagtekens bij de juistheid moeten zetten, daar alle gegevens werden samengesteld en verstrekt door oud-BRTS-penningmeester Koos Janssen; nou niet een toonbeeld van deugd. Ten hoorzitting wil de BOS informatie aanleveren waaruit blijkt dat de BRTS onjuiste informatie verstrekte en dat de onderzoeksmethode van het CvdM voor verbetering vatbaar is.

Tevens laakt de BOS het bestendig beleid van het CvdM om adviezen van gemeenten klakkeloos over te nemen. Een beleid dat door commissaris prof. dr. Jan van Cuilenburg wordt onderschreven. Als de bedoeling van de wetgever is dat gemeenten bepalen wie er wel en niet mogen uitzenden, had zij de bevoegdheid wel bij die gemeenten gelegd.

De BOS verzoekt het CvdM haar besluit te herzien. Gezien de ruime termijnoverschrijding van de zijde van de gemeente, lijkt het de BOS redelijk en billijk dat het CvdM op basis van de op 10 december 2003 in functie zijnde PBO’s van de BRTS en haarzelf een nieuw oordeel vormt.

Wellicht ten overvloede wijst de BOS het CvdM met betrekking tot de termijnoverschrijding op het volgende citaat uit een brief van de gemeente, gericht aan het Agentschap Telecom, d.d. 5 november 2003: “Voordat een eerlijke afweging tussen beide organisaties kon worden gemaakt, is besloten de BRTS eerst de gelegenheid te geven intern orde op zaken te stellen.” Voor zover hier van belang beschouwt de BOS dit als een onrechtmatige daad, daar de gemeente voor uitstel van de advisering van het CvdM naar mening van de BOS een voor bezwaar vatbaar besluit had moeten nemen.


 

© 2003-2011 Mega Media Producties